Hannah en Jesse
Muziekschool voor koperblazers en saxofoons
De saxofoon
Een saxofoon is een blaasinstrument met een conische, meestal S-vormige buis, die voorzien is van kleppen. De saxofoon wordt niet tot de koperblazers gerekend, maar zoals alle riet-blaasinstrumenten tot de houtblazers. Saxofoons hebben een conische boring – ze worden van het mondstuk naar het bekeruiteinde toe breder. Het riet begint te trillen bij het blazen, zo ontstaat het geluid dat daarna door het andere deel van het instrument gaat. De drie grote delen van de saxofoon; het mondstuk, de hals, het klankgat. De saxofoon is een transponerend instrument en is uitgevonden door Adolphe Sax.

Evenals bij de klarinet, is bij de saxofoon aan de onderkant van het mondstuk, een enkel stuk riet bevestigd d.m.v. metalen band (de saxofoon hoort dan ook bij de enkelriet-instrumenten).
Ontwikkeling
Adolphe Sax heeft verbeteringen aan de meeste koperinstrumenten gemaakt, ook aan verschillende houtblaasinstrumenten: de basklarinet zoals we die vandaag de dag kennen is een ontwerp van Adolphe Sax bijvoorbeeld. Sax wilde een instrument maken dat de souplesse van de strijkers had maar ook de dynamische mogelijkheden van het koper (luid) en de klankmogelijkheden van het hout. Hij beoogde een instrument dat alle goede eigenschappen van de klassieke orkestinstrumenten in zich zou verenigen. De eerste saxofoon was een bassaxofoon, de rest van de familie volgde later. Omdat een bas makkelijker te bouwen is vanwege de verhoudingen en controle van de buis/stemming e.d. maakte hij die eerst. In de loop van de jaren die er op volgden, bouwde hij de rest van de familie (composities met saxofoons erin volgden al snel).

Een bekende misvatting over de uitvinding van de saxofoon is dat Sax een praktische oplossing wilde vinden voor de baspartij in militaire orkesten. Dit klopt echter niet. Sax was een kunstenaar met een duidelijk klankbeeld in zijn hoofd, toepassingen volgden later.
Toonvorming
Om geluid uit de saxofoon te krijgen moet je lucht persen tussen het riet en het mondstuk. Hierdoor breng je het riet in trilling en wordt een toon gemaakt. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.
Soorten
Oorspronkelijk bestond de saxofoon-familie uit 14 leden. Tegenwoordig worden er nog maar 8 gemaakt. Deze 8 zijn, te beginnen met de kleinste: Alleen de sopraan, de alt , de tenor en de bariton worden nog op grote schaal gebruikt. De saxofoon wordt veel gebruikt in orkesten, harmonie en fanfare en binnen de jazz- en popmuziek.
Bereik
De huidige saxofoons hebben meestal kleppen voor een bereik van twee twee derde octaaf, van laag Bes tot en met hoog Fis. Op negentiende-eeuwse saxofoons was B de laagste toon en E de hoogste, de omvang was dus een kleine terts geringer. Al vrij snel is het bereik vergroot, waarbij de hoge Fis de laatste toevoeging was. Op de nog steeds zo gewilde Selmer Mark VI modellen uit de jaren vijftig en zestig zat geen hoge Fis(contr. FA) en ook op goedkopere hedendaagse modellen ontbreekt de klep, deze werd in 1896 pas toegevoegd aan de saxofoon.

Een afwijkende omvang hebben veel baritonsaxofoons, die namelijk tot laag A gaan. Bij de hoge saxofoons zitten de verschillen tussen de modellen in de hoogte. Sopranino's kunnen als hoogste klep de hoge E hebben, maar ook de F of de Fis. Bij sopranen zijn F of Fis gebruikelijk als hoogste klep, maar een enkel topmodel heeft bovendien een hoge G.

De saxofoon blaast zoals de meeste instrumenten (uitgezonderd de klarinet) over in het octaaf, dat wil zeggen dat bij dezelfde vingerzetting twee tonen geproduceerd kunnen worden die een octaaf in toonhoogte verschillen. Om het overblazen te vergemakkelijken zit bij de duim de zogeheten octaaftoets. Oorspronkelijk waren er zelfs twee, maar alle huidige instrumenten hebben een mechanisme waar de duimtoets twee verschillende overblaasklepjes bedient. Tot en met de G (en de Gis) bedient de duim het lage octaafklepje, vanaf de A wordt automatisch het hogere klepje geopend en het andere gesloten.

Hogere tonen zijn te vinden in het zogenaamde altissimoregister. Met allerlei speciale grepen kunnen tonen voortgebracht worden die hoger zijn dan wat de hoogste klep toelaat. Het vereist veel oefening, maar sommigen kunnen langs deze weg het bereik tot vier octaven vergroten. Het vereist ook uitzoekwerk: grepentabellen voor het altissimoregister bevatten vele mogelijkheden voor een en dezelfde toon. Het hangt van het type saxofoon, het gebruikte mondstuk en de bouw van de mond van de speler af welke van die mogelijkheden goed aanspreekt – en zuiver is. Onderzoeker Joe Wolfe toonde aan dat saxofoonspelers die het altissimoregister kunnen hanteren dit doen door hun spreekkanaal dusdanig aan te spannen dat het meeresoneert met de gewenste toon.

Bij de altissimotonen wordt niet in het octaaf overgeblazen, maar in hogere boventonen, zoals de duodecime (octaaf plus een kwint; net zoals de klarinet), het dubbele octaaf en zo verder. De laagste noten van deze manier van overblazen beheerst vrijwel iedereen, de zogeheten quick-f, quick-fis en quick-g (deze laatste alleen als een klep voor de hoge Fis aanwezig is). De volgende noten zijn meteen een stuk moeilijker en sommigen krijgen ze er nooit goed uit. Gelukkig worden ze in geschreven muziek voor saxofoon niet gebruikt, behalve in moderne composities vanaf pakweg 1970. In de jazz was begin jaren zestig Eric Dolphy al virtuoos in het altissimoregister en in de free jazz werd en wordt uiteraard alles gebruikt wat voor de expressie dienstig kan zijn.